Een bank gebruikt het geld van spaarders.

Zij leent dat geld uit aan burgers, bedrijven en overheden. Daarbij loopt de bank altijd een risico. Het is nooit uit te sluiten dat de kredietnemer zijn lening niet kan terugbetalen. Maar de bank moet wel op elk moment in staat zijn om het geld dat haar door de spaarders is toevertrouwd, weer aan die spaarders uit te keren.

Daarom zijn banken verplicht als buffer een minimaal eigen vermogen aan te houden. Een bankier vindt dat niet prettig. Geld dat hij uit veiligheid moet opzijzetten, kan hij natuurlijk niet gebruiken om uit te lenen. Met andere woorden: op die buffer kan hij weinig of niets verdienen. Voor hem is dat dood kapitaal.

Als het aan de bank lag, zou zij liefst een zo klein mogelijke buffer aanleggen. Je moet zo’n probleem dan ook internationaal aanpakken. Dat doet het Bazelcomité. Het is een internationale commissie met vertegenwoordigers van de centrale banken en toezichthouders uit tien landen. België is in het Bazelcomité vertegenwoordigd door Rudi Bonte. Hij is directielid van de Belgische toezichthouder, de Commissie voor het Bank- en Financiewezen.

Het Bazelcomité dankt zijn naam aan de Zwitserse stad waar de Bank voor Internationale Betalingen (BIB) is gevestigd, de ‘centrale bank van de centrale banken’. In 1988 kwam het Bazelcomité met een eerste akkoord naar buiten. Dat werd het zogenoemde Bazel-l-akkoord. Het bepaalt dat banken een minimumkapitaal moeten aanhouden dat 8 procent bedraagt van de risicogewogen leningen die de bank heeft toegekend.

Als een bank een lening geeft, is het risico dat zij niet wordt terugbetaald bij de ene ontlener veel groter dan bij een andere. Bazel-I deelt de ontleners dan ook op in vier categorieën. Bij een lening aan een andere bank uit een westers geïndustrialiseerd land is het risico klein. Zo’n lening telt maar mee voor 20 procent. En daarvan moet de bank dan 8 procent opzijzetten. Concreet: van het totale bedrag voor zo’n lening moet de bank 1,6 procent opzijzetten.

Banken die gevestigd zijn in landen die geen deel uitmaken van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (Oeso) krijgen sowieso het etiket ‘grootste risico’ opgekleefd. Ook alle leningen aan bedrijven vallen in die categorie. Die leningen tellen mee voor het volle honderd procent. Voor dergelijke leningen moet de bank dus effectief 8 procent kapitaal opzijzetten.

De belangrijkste kritiek op Bazel-I is dat alle leningen aan bedrijven allemaal in de categorie ‘grootste risico’ vallen. Al die leningen worden dus over dezelfde kam geschoren. Een krediet aan Volkswagen zou evenveel risico inhouden als een lening aan een café-uitbater in het dorp. In de praktijk is het risico dat Volkswagen zijn lening niet terugbetaalt natuurlijk miniem. Maar of de café-uitbater uiteindelijk zal kunnen terugbetalen, is veel minder zeker.

Hoewel Bazel-I bedoeld is om de risico’s van de banken te beperken, ontstond het omgekeerde effect. Als er toch geen verschil werd gemaakt tussen het risico van Volkswagen en van de plaatselijke café- uitbater, dan leenden de banken veel liever geld aan café-uitbaters. Aan café-uitbaters kunnen ze nu eenmaal een hogere intrest vragen dan aan Volkswagen. Op die manier gingen de banken op zoek naar hogere opbrengsten en namen ze er de hogere risico’s maar bij.

Als alles volgens plan verloopt, is tegen eind 2006 Bazel-ll van kracht. Bazel-ll wil het kapitaal dat banken moeten opzijzetten voor kredieten nauwer laten aansluiten bij de werkelijke risico’s. Bazel-ll is dus veel verfijnder, maar daardoor ook veel ingewikkelder. Behalve met het kredietrisico houdt Bazel-ll ook rekening met het zogenoemde ‘operationeel risico’. Zo’n operationeel risico houdt bijvoorbeeld rekening met de kans op schade die de bank zou oplopen door een grote computerpanne.

In België was het toezicht op de financiële wereld tot in 2003 erg versnipperd. De Commissie voor het Bank- en Financiewezen (CBF) controleerde de banken. De verzekeringsmaatschappijen werden in de gaten gehouden door de Controledienst voor de Verzekeringen (CDV). Maar vandaag zijn de meeste financiële instellingen zowel bankier als verzekeraar. Op 30 juli 2003 is daarom het Comité voor Financiële Stabiliteit (CFS) opgericht. Het is een koepelorganisatie die het toezicht op de financiële sector moet coördineren. Het CFS bestaat uit directie-leden van de Nationale Bank van België, de CBF en de CDV. Bovendien gaan de CBF en de CDV begin 2004 samensmelten.

Het Comité voor Financiële Stabiliteit werkt alvast aan een nationaal noodplan. De verschillende Belgische financiële instellingen hebben al wel noodplannen om snel te kunnen reageren op zware crisissen, zoals een terroristische aanslag of het uitvallen van de telecommunicatie. Die plannen moeten voorkomen dat bij een ramp het financiële systeem ineenstort. Maar bij de aanslagen van 11 september 2001 bleken de noodsystemen van diverse banken dezelfde communicatielijn te gebruiken. De verbinding had een te beperkte capaciteit en crashte. Daarom is een nationaal noodplan wenselijk. Dat is precies ook wat Bazel-ll bedoelt met ‘operationeel risico’.

Of Bazel-ll ook werkelijk eind 2006 van start kan gaan, is nog lang niet zeker. Meer nog dan de invoering van de euro en de millennium bug, doet Bazel-ll de bankiers verstijven van schrik. Het Bazelcomité doet alleen maar aanbevelingen, maar het Europees Parlement en de lidstaten van de Europese Unie zetten die aanbevelingen nagenoeg onverkort om in wetten. Andere landen uiten almaar meer bezwaren. De Zwitserse banken vinden de nieuwe regels te ingewikkeld en te duur, vooral voor de kleinere banken. Ook de Britse en de Amerikaanse bankwereld doen moeilijk. De Britten willen het bij Bazel-I houden tot in 2010.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.