In de oudheid was goud het kostbaarste wat je kon bezitten. Daarom vroeg Midas, de koning van Frygië, aan Bacchus of het niet mogelijk zou zijn dat alles wat hij aanraakte in goud zou veranderen. De god van de wijn verleende hem die gunst. Maar het geluk van Koning Midas was van korte duur. Er kwam een eind aan zijn vreugde toen hij honger kreeg. Ook zijn eten veranderde immers in goud.

Koning Midas raakte van zijn hinderlijke weldaad verlost door een bad te nemen in de Pactolus. Sindsdien voert die rivier in Lydië in zijn water goud mee. Van goud maakten ze munten. Dat was de goudstandaard. Met goud kon je dus betalen. Na de Tweede Wereldoorlog werd de goud-standaard vervangen door de gouwdisselstandaard. De waarde van een munt werd niet meer alleen uitgedrukt in goud, maar ook in een vreemde valuta. Alle muntsoorten kregen een vaste koers ten opzichte van de dollar. De waarde van de dollar was dan weer gekoppeld aan het goud. Op die manier waren alle munten – onrechtstreeks – nog altijd gekoppeld aan het goud. In 1971 slaagden de speculanten erin om dat systeem onderuit te halen. De band tussen de dollar en het goud werd verbroken. Voortaan waren de wisselkoersen vrij.

Vandaag speelt goud dus geen rol meer in het geldverkeer. Is goud dan waardeloos geworden? Natuurlijk niet. Het is en blijft een zeldzame en daardoor dure grondstof. Inderdaad: goud is niet meer of niet minder dan een grondstof. Kijk maar in de krant: de prijs van goud vind je bij de goederenmarkten. De prijs van goud wordt bepaald door vraag en aanbod op die goederenmarkten. Wie is er vandaag nog geïnteresseerd in goud? Zoals gezegd: het is een grondstof. Juweliers zijn de grootste kopers. Ze maken er juwelen van.

De centrale banken zijn al jarenlang verkoper van goud. Nu er geen rechtstreekse band meer bestaat tussen goud en geld, ligt dat edele metaal daar toch maar te liggen. In hun kluis, zoals je wel eens leest. Maar dat klopt niet helemaal. Het goud van de Nationale Bank van België bijvoorbeeld ligt helemaal niet in ‘de kluis van de Nationale Bank’. Het ligt – zoals dat van wel meer landen – in Fort Knox.

Dat is een legerbasis in de Amerikaanse staat Kentucky waar al sinds 1937 het grootste deel van de Amerikaanse goudreserve ondergronds wordt bewaard. De fysieke markt van goud bestaat dus aan de ene kant uit juweliers die kopen, en aan de andere kant uit de centrale banken die mondjesmaat hun voorraden verkopen én de goudmijnen die gouderts blijven opdelven. En dat is het dan? Welnee. Er bestaat ook nog een papieren goudmarkt. De markt van opties en futures op goud. Die papieren markt is duizend keer groter dan de fysieke markt.
Via die papieren markt dekken goudproducenten en financiële groepen zich in tegen schommelingen van de goudprijs. Ook speculanten stappen via die weg in de markt.

Al jaren gaat het gerucht dat de papieren goudmarkt wordt gemani-puleerd door de grote Amerikaanse zakenbanken en goudbanken, in overleg met de belangrijke centrale banken. Die theorie wordt luidop verkondigd door het Gold AntiTrust Action Committee (Gata). Volgens het Gata hebben de banken enorme baisseposities op goud. Dat wil zeggen: ze hebben enorme hoeveelheden goud verkocht met de bedoeling om het later voor lagere prijzen terug te kopen. Het verschil tussen de verkoop- en de aankoopprijs steken ze dan op zak. Dat is hun winst.

Volgens die complottheorie mag de goudprijs dus niet stijgen. Want als goud duurder wordt, zouden die baissiers geen winst kunnen maken. Ze zouden integendeel lelijk hun broek kunnen scheuren. Daarom zouden ze er alles aan doen om de goudprijs laag te houden. Ook de grootste Amerikaanse goudmakelaar, Blanchard, gelooft in die manipulatietheorie. In december 2002 spande Blanchard een rechtszaak aan tegen de Amerikaanse goudgroep Barrick en de zakenbank JP Morgan. Zij zouden de goudprijs hebben onderdrukt en op die manier 2 miljard dollar hebben verdiend. Barrick ontkent de aantijgingen. Het heeft allemaal veel weg van een verhaal van believers en disbelievers.

Die believers voorspellen het goud al jaren een gouden toekomst. Maar daar valt voorlopig nog niet veel van te merken. Goud is normaal een vluchthaven in tijden van crises. Maar tijdens de oorlog tegen Irak is het goud uit zijn rol gevallen. Al een maand voor de hel losbrak in het land van Saddam Hoessein, dook het goud naar beneden. “En toch is het goud gestegen,” zullen de goudkevers opmerken. Inderdaad. Het goud is in 2002 en 2003 precies evenveel gestegen als de dollar is gedaald.

Goud wordt verhandeld in dollar per troy ounce (31,1 1 1 833 gram). Wie goud heeft gekocht voor 300 dollar per ounce, heeft het inderdaad zien stijgen naar 360 dollar. Maar ondertussen is de dollar 20 procent in waarde gedaald. Als je die ounce verkoopt en je dollars weer omwisselt naar euro, krijg je dus precies evenveel terug als je er destijds in hebt gestopt. Ten opzichte van de meeste andere beleggingen heeft goud nog een belangrijk nadeel.

Het brengt geen rente of dividend op. Een belegger in goud moet het dus helemaal hebben van een mogelijke prijsstijging. Dat is natuurlijk niet uitgesloten. Als iedereen zich op het goud stort, zal de prijs zeker spectaculair stijgen. Maar waarom zou iedereen zich op het goud storten? Wie toch eens een gokje wil wagen, kan in Brussel een goudstaaf van een kilo kopen. Maar dat is toch al een hele investering (10.242 euro). Je kunt het ook proberen met gouden muntstukken. De belangrijkste zijn de Australische Nugget, de Belgische Louis, de oude en de nieuwe Britse Sovereign, de Amerikaanse Eagle, de Zuid-Afrikaanse Krugerrand, de Canadese Maple Leaf, de Franse Napoléon, de Zwitserse Vrenelli en de Belgische gouden ecu uit 1987.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.