Internationale betalingen gebeurden vroeger meestal met een wisselbrief. Daardoor is de benaming ‘wisselkoers’ ontstaan. Wisselkoersen hebben inderdaad alles te maken met betalingen over de landsgrenzen heen.

De wisselkoers is de prijs van een muntsoort of valuta. Die prijs wordt uitgedrukt in een andere valuta. Bijvoorbeeld: 1 euro = 1,1495 Amerikaanse dollar. Dat wil zeggen: voor één euro krijg je 1,1495 dollar. Of omgekeerd: om één euro te krijgen, moet een Amerikaan 1,1495 dollar neertellen. Voor één dollar krijgt hij maar 0,8699 euro (1 gedeeld door 1,1495).
Vandaag kan een euro misschien 1,1495 dollar waard zijn, maar morgen is dat alweer een andere prijs. De prijs van een munt wordt voortdurend bepaald door vraag en aanbod. Als er veel vraag is naar een munt, zal die in waarde stijgen.

Waarom zou er veel vraag zijn naar een bepaalde munt? Daarvoor kunnen verscheidene redenen zijn. De reden die het meest voor de hand ligt: omdat je die munt nodig hebt. Als je naar Turkije op vakantie gaat, laatje in de bank euro’s omwisselen tegen Turkse lira’s. Wij noemen dat omwisselen. Eigenlijk gebeurt er iets anders. Je verkoopt euro’s en je koopt Turkse lira’s.

Je veroorzaakt dus een vraag naar Turkse lira’s en je creëert een aanbod van euro’s. Die ene transactie die jij doet, zal de koers van de euro en de Turkse lira niet beïnvloeden. Maar als heel veel mensen tegelijk het¬zelfde doen, zul je dat wel zien. Let er maar eens op: net voor een vakantieperiode gaan de munten van toeristische landen vaak in stij¬gende lijn.

Toerisme is natuurlijk maar een klein deeltje van de economie. Veel belangrijker is de handel. Elk bedrijf dat iets aankoopt in Turkije, zal moeten betalen met Turkse lira. En omgekeerd: alle aankopen die Turkse bedrijven doen in het buitenland, zullen moeten worden betaald in vreemde valuta. Als een land meer uitvoert dan invoert, is er dus meer vraag naar de munt van dat land. In principe zal dat leiden tot een stijgende munt.

Ook vanuit de financiële wereld kan er vraag ontstaan naar Turkse lira. Dan wordt de munt gekocht om te beleggen. Er kunnen een aantal belangrijke redenen zijn om in een vreemde munt te beleggen. De eerste reden is de rentevoet. In een ander land kan de rente hoger zijn dan in je eigen land. Om van die hogere rente te kunnen profiteren, moet je die munt aankopen. Gaat het om de rente op korte termijn, dan zet je de gekochte vreemde valuta op een termijnrekening.

Gaat het om de langetermijnrente, dan koopje een obligatie in die munt. Wat veel mensen uit het oog verliezen: een hogere rente is meestal een vergoeding voor een groter risico. In dit geval: het risico dat de munt zal dalen. Als dat ook gebeurt, doe je een slechte zaak. De hogere rente die je ontvangt, gaat weer verloren door het koersverlies van de munt. Veel mensen die hogere opbrengsten zijn gaan zoeken door de aankoop van Canadese, Australische en Nieuw-Zeelandse dollar, zijn van een kale reis thuisgekomen.

Ze streken wel een mooie rente op, maar toen ze hun kiwidollars weer naar de eigen munt wilden omzetten, kregen ze ineens minder terug dan ze hadden belegd. Zolang je die Nieuw-Zeelandse dollars niet verkoopt, lijd je natuurlijk geen verlies. Daarom zijn veel mensen blijven beleggen in Nieuw-Zeelandse dollar. Maar als de koers blijft dalen, lopen de verliezen almaar hoger op. De tweede reden om in een vreemde munt te beleggen, is eigenlijk het omgekeerde van de eerste reden: je bent niet zozeer geïnteresseerd in de rente, maar je verwacht vooral dat die buitenlandse munt zal stijgen ten opzichte van je eigen mant. Als dat ook gebeurt, krijg je uiteindelijk méér terug dan je oorspronkelijk hebt belegd.

En zo komen we uiteindelijk bij een laatste reden om vreemde valuta’s te kopen of te verkopen: speculatie. Muntspeculatie is vooral interessant in een systeem met vaste wisselkoersen. Een vaste wisselkoers is eigenlijk een afspraak. Na de Tweede Wereldoorlog werd het Internationaal Monetair Fonds opgericht. De leden van het IMF hadden vaste wisselkoersen ten opzichte van de Amerikaanse dollar. Met andere woorden: er was afgesproken hoeveel elk van die munten precies waard was. Die afgesproken waarde is de pariteit of spilkoers.

In de praktijk week de koers van die munten op de financiële markten wel eens af van de spilkoers. Op de financiële markten wordt de koers namelijk bepaald door vraag en aanbod, en niet ‘volgens afspraak’. Als de koers op de financiële markten te ver dreigde af te wijken, grepen de IMF-leden in. Munten die zakten, begonnen ze op te kopen. Ze zorgden dus voor extra vraag naar die munten. En door die stijgende vraag, steeg ook de koers van de munt.

De IMF-landen kochten die zwakke munten op met hun sterke munten. Ze deden dus twee dingen tegelijk. Enerzijds verhoogden ze de vraag naar de zwakke munten en anderzijds verhoogden ze ook het aanbod van sterke munten. De zwakkere munten gingen dus stijgen en de sterkere munten gingen dalen. En zo hielden ze het hele systeem van vaste wisselkoersen in evenwicht.

De IMF-landen grepen pas in als een munt meer dan 1 procent afweek van haar pariteit. Een munt kon dus 2 procent schommelen. Een procent naar boven, tot aan de bovengrens, en 1 procent naar beneden. Een land kon de pariteit van zijn munt alleen aanpassen met toestemming van het IMF. Een aanpassing van de pariteit naar beneden heet een devaluatie. De munt daalt in waarde. Een aanpassing naar boven is een revaluatie.

Na verloop van tijd bleek het systeem van vaste wisselkoersen gekoppeld aan de dollar niet langer houdbaar. Vanaf 1971 lieten veel landen hun valuta zweven. Omdat er grote koersverschillen dreigden te ontstaan, maakten de landen van de toenmalige Europese Gemeenschap (EG) onderling een nieuwe afspraak. Van een koppeling aan de dollar was geen sprake meer. Maar onderling bleven de EG-munten wel gekoppeld. Ze kregen een fluctuatiemarge van 2,25 procent. Ze mochten van hun spilkoers dus 2,25 procent naar boven en 2,25 procent naar beneden afwijken.

Als je de koersen van al die munten naast elkaar plaatste, ontstond een vreemd beeld. De ene munt stond wat hoger dan haar spilkoers. Een andere stond dan weer een beetje onder haar pariteit. Ze leken wel een kronkelende slang te vormen. Door die EG-overeenkomst van 21 maart 1972 ontstond inderdaad de zogenoemde muntslang. In tijden van felle schommelingen sprak men ook wel van de ratelslang.

In 1978 legden de EG-landen de basis van het Europees Monetair Stelsel (EMS). Elke deelnemende munt kreeg nu een dubbele spilkoers: een spilkoers ten opzichte van de andere EMS-munten en een spilkoers ten opzichte van de ecu (European Currency Unit). De ecu is de rekeneenheid van de landen van de Europese Gemeenschap. De waarde van de ecu zelf wordt bepaald door de waarde van de munten die er deel van uitmaken.

Bij de lancering van de ecu waren dat er negen. 1 ecu was toen: 0,828 Duitse mark + 0,0885 Britse pond + 1,15 Franse franc + 109 Italiaanse lire + 0,286 Nederlandse gulden + 3,66 Belgische frank + 0,14 Luxemburgse frank + 0,217 Deense kroon + 0,00759 Ierse pond. Voor hoeveel elke munt meetelde in de ecu, werd vastgelegd op basis van het bruto binnenlands product en van de handel met het buitenland. Bij de start maakte de Duitse mark 27,3 procent uit van de ecu.

Het EMS trad in werking op 1 maart 1979. Er is een belangrijke nieuwigheid ten opzichte van de ‘muntslang’. Bij de ‘slang’ moesten de landen pas ingrijpen als een munt méér dan 2,25 procent afweek van haar spilkoers. Met andere woorden: als een munt haar fluctuatiemarge naar boven of naar beneden overschreed. In het EMS moeten de landen al ingrijpen vóór de grenzen van de marge zijn bereikt. Het is net de bedoeling om te voorkomen dat een munt ‘uit de band springt’.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.