Is er altijd evenveel geld in de wereld of komt er almaar geld bij?

Er komt almaar geld bij. Anders zou iedereen die rijker wordt, ervoor zorgen dat er ook iemand armer wordt. Wie geld verdient, zou dan eigenlijk geld overnemen van iemand anders.
Waar komt dat nieuwe geld dan vandaan? Daarvan heb ik al een voorbeeld gegeven in de vorige vraag. De geldwisselaars van vroeger merkten dat het goud dat bij hen in bewaring was gegeven, nooit allemaal tegelijk weer werd opgevraagd. Ze konden dus meer papier uitgeven dan overeenstemde met hun voorraad goud. Op die manier verleenden ze krediet. Ze stelden papieren geld ter beschikking van mensen die geen goud hadden gedeponeerd.

Zo gaat het vandaag nog altijd. Mensen sparen en storten dat spaargeld op een spaarrekening bij een bank. Vervolgens gebruikt de bank het spaargeld van haar cliënten om andere mensen een lening te geven. Maar eigenlijk klopt dat niet helemaal. Want als de bank het geld van Jan gebruikt om een lening te geven aan Mieke, dan blijft het geld toch gewoon staan op de rekening van Jan?! Inderdaad. En dan kan Mieke het geld van die lening óók op haar rekening zetten?! Inderdaad. Als een bank krediet verleent, dan komt er geld bij. Dat heet geldcreatie. En als een lening wordt terugbetaald, vindt er geldvernietiging plaats. Na de terugbetaling van een lening, is er dus minder geld.

Als Mieke geld heeft geleend en dat geld niet onmiddellijk nodig heeft, kan ze het geleende geld op een bankrekening zetten. Kan dat geleende geld van Mieke door de bank worden gebruikt om ook nog een lening te geven aan Piet? Inderdaad. Elke kredietverstrekking maakt nieuwe kredietopeningen mogelijk.

Kan er dan oneindig veel nieuw geld bij komen? Nee. Aan dat sneeuwbaleffect zijn er grenzen. Veronderstel dat Jan op zijn rekening bij de bank 1000 euro heeft staan. Dan zal de bank nooit 1000 euro uitlenen aan Mieke. De bank zal er altijd voor zorgen dat ze een bepaalde hoeveelheid geld ter beschikking heeft voor onmiddellijke betalingen. Dat noemen we liquiditeit of liquide middelen.

Jan heeft dus 1000 euro op zijn rekening. Dan zal de bank bijvoorbeeld maximaal 800 euro uitlenen aan Mieke. De bank behoudt dan 200 euro liquide middelen. De bank houdt dus 20 procent in kas voor eventuele onmiddellijke betalingen. Veronderstel dat Mieke de 800 euro die ze heeft geleend, niet onmiddellijk wil uitgeven. Dan kan ze die op haar rekening bij de bank laten staan. En dan kan de bank het geleende geld van Mieke gebruiken om ook nog een lening te geven aan Piet.

Weer zal de bank niet de volle 800 euro uitlenen. Zij zal dezelfde minimumliquiditeit hanteren. Dat wil zeggen: de bank zal weer 20 procent liquide houden, en dus maxi¬maal 80 procent van het geld van Mieke uitlenen aan Piet. Piet zal dus maximaal 80 procent van die 800 euro van Mieke kunnen ontlenen. Dat is 640 euro. Ik kan zo nog wel een tijdje doorgaan. Maar het is duidelijk dat de nieuwe leningen altijd maar kleiner worden. Dat zijn de grenzen van de kredietschepping.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.