Geld is ontstaan in de loop der tijden.

Het is ontstaan in de loop der tijden. Na vee, zout of schelpen, gebruikte men als ruilmiddel al snel edele metalen. Dat zijn metalen die niet roesten, zoals goud en zilver. Als er maar één edel metaal wordt gebruikt, spreken we van metallisme of enkele standaard. In het muntstelsel van dat land zijn er bijvoorbeeld alleen gouden muntstukken.

In landen waarin zowel gouden als zilveren muntstukken werden gebruikt, spreken we van bimetallisme of dubbele standaard. De verhouding tussen de twee munten wordt dan meestal wettelijk vast-gelegd. In de achttiende eeuw was de waardeverhouding doorgaans 1 tegen 15,5. Met andere woorden: één gouden muntstuk was 15,5 zilveren muntstukken waard.

In 1816 was Engeland het eerste land dat de dubbele standaard prijsgaf. Engeland schakelde over op het of de goudstandaard. Voortaan werden alleen nog gouden munten erkend als onbeperkt wettig betaalmiddel. De oorzaak lag bij de ontdekking van nieuwe zilvermijnen. Ineens was er een overvloed aan zilver, waardoor de prijs van zilver daalde ten opzichte van de prijs van goud.

Wie van zijn zilver muntstukken sloeg en daarmee betaalde, kon er dus méér mee kopen dan het zilver eigenlijk nog waard was. Een goeie reden om zilveren munten af te schaffen als wettig betaalmiddel. Reizen met een beurs vol goudstukken was natuurlijk veel praktischer dan rondtrekken met een kleine kudde vee. Maar toch waren er nog moeilijkheden. Je sleepte een heel gewicht mee. En er was een groot risico dat booswichten zouden proberen om je goudstukken afhandig te maken.

Mensen gingen edele metalen in bewaring geven bij een geldwisselaar of kassier. In ruil kregen ze een papieren bewijs. Op dat papier stond de waarde van het gedeponeerde edele metaal. Dat papier kon altijd weer worden omgewisseld tegen de gedeponeerde hoeveelheid goud. Het papieren geld was geboren.

De geldwisselaars ervoeren dat het gedeponeerde goud nooit allemaal tegelijk weer werd opgevraagd. Ze konden dus méér papier uitgeven dan overeenstemde met hun voorraad goud. Er was nu niet langer genoeg dekking om alle papieren geld tegelijk om te wisselen in goud. Dat was natuurlijk alleen mogelijk als de mensen voldoende vertrouwen hadden in de geldwisselaars. Op die manier stapten de goudwisselaars in de rol van bankier.

Als er een oorlog dreigde uit te breken, wilden de mensen ineens toch allemaal tegelijk hun papieren geld omzetten in goud. Omdat de bank daartoe niet in staat was, besliste de overheid om de verplichting tot omwisseling in goud tijdelijk op te heffen. In de twintigste eeuw is die verplichting tot omwisseling in goud overal definitief opgeheven. In Nederland kun je geen papieren geld meer omwisselen in goud sinds 1936 en in België sinds 1940.

Papieren geld en muntstukken noemen we ook geld. Dat is afgeleid van charta, het Latijnse woord voor oorkonde of overheidsbeslissing. Bankbiljetten en muntstukken berusten inderdaad op wettelijke bepalingen.

Daarnaast bestaat er ook giraal geld. Dat is geld datje op een bank-rekening hebt staan. Wie aan het loket bankbiljetten op zijn rekening gaat deponeren, zet dus chartaal geld om in giraal geld. En wie geld uit de muur haalt, zet giraal geld om in chartaal geld. Met een geleerd woord heet dat geldsubstitutie.

Tegenwoordig verloopt verreweg het grootste deel van de betalingen giraal. Je loon wordt op je bankrekening gestort. Zelf betaal je huur, elektriciteit, gas, water en verzekeringen ook met een overschrijving. En als je in België Proton gebruikt – of als Nederlander gaat pinnen – dan kóóp je ook giraal.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.